Nut en noodzaak Programma Stroomlijn

Hieronder is de nut en noodzaak van het Programma Stroomlijn uiteengezet.

De nut- en noodzaak van het Programma Inhaalslag Stroomlijn is terug te voeren tot de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier uit 2006. Op pagina 98 van deel 4 van de PKB Ruimte voor de Rivier staat namelijk het volgende vermeld in paragraaf 16.4.3 Borging van beheer en onderhoud - Beheer van uiterwaarden “(..) Ten opzichte van 1997 is in het rivierengebied landelijk (Maas en Rijn) sprake van een beheerachterstand van naar schatting enkele honderden hectares spontane forse vegetatie verspreid over verschillende terreinen in de uiterwaarden en de oeverzone. Tevens ontstaat door extensivering van het gebruik steeds meer ’ruw grasland’, dat bij grote arealen invloed heeft op de waterstanden. Het gezamenlijk effect van deze vegetatie langs de rivier kan naar verwachting oplopen tot meerdere centimeters. Om dit opstuwend effect teniet te doen moet deze vegetatie met prioriteit worden gecompenseerd of verwijderd.

Het Programma Inhaalslag Stroomlijn richt zich op de al in de PKB geconstateerde achterstanden in beheer en onderhoud van de vegetatie in de uiterwaarden. Dat dit een structureel en integraal onderdeel uitmaakt van het rijksbeleid, blijkt vervolgens ook uit het Nationaal waterplan 2009-2015; vastgesteld op 22 december 2009. Hierin staat in paragraaf 5.2 Rivieren, over realisatie van het beleid het volgende:

“Het rijk neemt de komende periode het initiatief tot het ontwikkelen van een visie op het vegetatie- en sedimentbeheer van het rivierbed in relatie tot riviernatuur en rivierkundige doelstellingen. Hierbij dient het project Stroomlijn als aanzet en voorziet daarbij in afspraken tussen rivierbeheerder en natuurbeheerders ten behoeve van het structurele beheer en onderhoud van het rivierbed. Het project Stroomlijn wordt uitgevoerd samen met de terreinbeheerders. Het vegetatiebeheer van de uiterwaarden wordt afgestemd op de rivierkundige doelstellingen, zodat er geen ongewenste opstuwing van de waterstanden plaatsvindt. Dit project is er op gericht achterstanden in beheer en onderhoud van vegetatie in te halen. Het kabinet bereidt een voorstel voor hoe de inhaalslag via de bestaande terreinbeherende organisaties uitgevoerd gaat worden. Naast deze inhaalslag wordt invulling gegeven aan het structurele beheer en onderhoud van de uiterwaarden en zullen afspraken worden vastgelegd tussen rivierbeheerder en natuurbeheerders.”

Als referentiejaar in de PKB geldt 1997. Hoe hier op hoofdlijnen mee om wordt gegaan wordt verder toegelicht en in haar context geplaatst in de 18de voortgangsrapportage van Ruimte voor de Rivier over de eerste helft van 2011. In paragraaf 2.3 over “raakvlakken met andere ontwikkelingen” staat onder andere het volgende over Vegetatiebeheer Uiterwaarden (voorheen Stroomlijn): “De PKB Ruimte voor de Rivier hanteert als uitgangspunt dat de vegetatie in de uiterwaarden van de Rijntakken is teruggebracht tot het hydraulische referentiejaar 1997. In dat verband is in 2007 onder de naam „Stroomlijn? een begin gemaakt met het aanpakken van het achterstallige beheer van de spontaan opgekomen vegetatie in de uiterwaarden. Deze terreinen zijn in beheer bij particulieren, bedrijven, overheden en uiteenlopende natuurbeherende organisaties zoals Staatsbosbeheer. Stroomlijn en het hydraulische referentiejaar 1997 zijn dus als voorwaarde beschouwd voor de ontwerpen binnen het programma en nodig voor het bereiken van de waterveiligheidsdoelstelling in 2015. (..) De inhaalslag is bedoeld als eenmalige activiteit om de ontstane verruwing in het rivierbed van alle grote rivieren terug te dringen en in overeenstemming te brengen met de normen.

Rijkswaterstaat is op dit moment bezig met het maken van een voorstel voor normen met de gewenste toestand van vegetatie in de uiterwaarden en bijbehorende wijze van onderhoud. De vast te stellen normen[1] hebben als doel een maximaal toegestane verruwing in het winterbed vast te leggen waarmee het riviersysteem in termen van hoogwaterstanden weer in overeenstemming is met de uitgangspunten van de PKB Ruimte voor de Rivier en het project Maaswerken.

Om in de verdere toekomst het verruwen tegen te gaan, wordt parallel aan de inhaalslag een wijziging van de Waterwet voorbereid, zodat eigenaren worden verplicht[2] de vegetatie in de uiterwaarden in overeenstemming met de hierboven genoemde normen te onderhouden.”

Ook in de toelichting op het Besluit tot toepassing van de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het Programma Inhaalslag Stroomlijn (Staatscourant nr. 8335 van 27 maart 2014) staat duidelijk verwoord wat de nut en noodzaak van het programma is. Toegelicht wordt hierin ook hoe invulling wordt gegeven aan het afwegen van rivierkundige belangen enerzijds (veilig en voldoende afvoer van water) en de overige waarden van ruwe vegetatie anderzijds:

“Het Programma Inhaalslag Stroomlijn geeft uitwerking aan het Nationaal Waterplan 2009-2015 en de Beleidsbrief vegetatiebeheer rivierbed van de grote rivieren (Kamerstukken II 2012–2013, 31 710, nr. 27). De kern van het programma is gelegen in het principe “Stroombaan glad, tenzij”. De stroombaan is het deel van het rivierbed dat het meest bijdraagt aan het waterafvoerend vermogen van de rivier. Daarbinnen stroomt het water het snelst en heeft de vegetatie een relatief groot opstuwend effect op de afvoer. Binnen de stroombaan wordt vegetatie waar mogelijk verwijderd. ‘Waar mogelijk’, omdat er redenen kunnen zijn waardoor de vegetatie niet kan worden verwijderd, bijvoorbeeld door beperkingen op grond van de natuurwet- en regelgeving of door bestaande rechten die zijn vastgelegd in vergunningen of privaatrechtelijke overeenkomsten. De stroombanen worden robuust gedefinieerd om ruimte te creëren voor de afweging tussen het belang van hoogwaterveiligheid en andere belangen. Door deze aanpak kan, naast het waterveiligheidsbelang, ook rekening worden gehouden met andere belangen.”

In 2012 is dus expliciet ingegaan op de manier waarop met de steeds toenemende ruwheid van de vegetatie zal worden omgegaan. Hiertoe is een Normatief toetsingskader uitgewerkt, gebaseerd op diepgaande en gedetailleerde rivierkundige berekeningen. In de beleidsbrief aan de Tweede Kamer (vergaderjaar 2012–2013, 31710, nr. 27) schrijft de staatssecretaris hierover onder andere: “Met grote projecten als Ruimte voor de Rivier en Maaswerken houden we ons land veilig bij de vigerende maatgevende rivierafvoeren van Rijn en Maas. Deze projecten zorgen ervoor dat de waterstanden bij hoge rivierafvoeren het Maatgevend Hoog Water (MHW) niet overschrijden. De waterstanddaling die wordt bereikt met deze projecten kan niet los worden gezien van de waterstandverhogende effecten die vegetatieontwikkeling in het rivierbed heeft. Om de waterstanddaling die met de grote projecten wordt bereikt te behouden, is het noodzakelijk om de vegetatie-ruwheid overal in het rivierbed op een bepaald niveau te houden. Voor de bepaling welke vegetatieruwheid nog kan worden geaccepteerd, gelet op de geldende hoogwaterveiligheidsdoelstellingen, wordt de vegetatieruwheid zoals die rond 1996 was als streefbeeld genomen. Deze ruwheid is bij de besluitvorming rond Ruimte voor de Rivier en Maaswerken ook het uitgangspunt. (…) Met een inhaalslag, die wordt gepleegd met het project Stroomlijn, wordt de vegetatie in het rivierbed aangepakt waardoor het waterafvoerend vermogen van de grote rivieren wordt hersteld. In combinatie met de projecten Ruimte voor de River en Maaswerken wordt ervoor gezorgd dat de geldende hoogwaterveiligheidsdoelstelling daadwerkelijk wordt bereikt. Na de inhaalslag is het zaak om het waterafvoerend vermogen op peil te houden. De kern van de inhaalslag is gelegen in het principe «Stroombaan glad, tenzij». (…) De uitgangspunten (voor het project Stroombaan) zijn verder uitgewerkt in het Normatief Kader Vegetatiebeheer Grote Rivieren[3].

In het boven genoemde Normatief kader wordt uitgelegd hoe beheer van de vegetatie in de uiterwaarden op een evenwichtige manier kan worden vorm gegeven. Ruwe vegetatie heeft het grootste effect op de plaatsen waar de rivier het snelst stroomt. De manier waarop de ligging van deze “stroombaan” is bepaald wordt toegelicht in hoofdstuk 3 van het Normatief kader. Om de ingreep in de vegetatie zo veel mogelijk te beperken is er voor gekozen om in de gebieden die buiten de stroombaan liggen een verdere verruwing niet toe te staan. Voor de gebieden binnen de stroombaan is ervoor gekozen deze glad te houden, dan wel te maken. Als er ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of andere moverende redenen bestaan zal binnen de stroombaan de bestaande vegetatie behouden blijven.

In het Normatief kader wordt de omvang van de benodigde inhaalslag in de context van het projectgebied geplaatst (hoofdstuk 5). Aangegeven is dat vegetatiebeheer gewenst is in ruim 46.000 hectare. Van die 46.000 hectares is in bijna 10.000 hectare het beheer al afdoende geregeld. Dit zijn de gebieden die in eigendom zijn van Rijkswaterstaat, de gebieden die zijn aangepakt in het kader van Ruimte voor de Rivier (of Maaswerken), het NURG-projectgebied[4] en de gebieden waarvoor een watervergunning is afgegeven. Van het resterende areaal is ruim 13.000 hectare gelegen binnen de stroombaan. Van die 13.000 hectare is vastgesteld dat bijna 12.000 hectare nu al voldoende glad is. Daar is sprake van grasland en/of akkers. In het totale projectgebied van Stroomlijn bevindt zich binnen de stroombaan 724 hectare riet&ruigte, 160 hectare struweel en 559 hectare bos. Daarnaast is er ook nog sprake van 74.3 km heggen binnen de stroombaan. Voor deze ruim 1400 hectare ruwe vegetatie geldt dat het Normatief kader er van uit gaat dat deze vegetatie verwijderd zal worden, tenzij er sprake is van de boven aangehaalde moverende redenen om de vegetatie toch te behouden.

In hoofdstuk 6 van het normatief kader is het doelbereik en de robuustheid van de stroombanen gerapporteerd, gebruik makend van de resultaten van een groot aantal WAQUA-berekeningen[5]. Voor deelgebied 5 van Stroomlijn staat in hoofdstuk 6 van het Normatief kader onder andere het volgende: “Gemiddeld over de riviertak wordt bij 50 a 70% verwijderen van ruwe vegetatie het gewenste doel bereikt.”

Samenvattend geldt dat rivierkundige berekeningen hebben aangetoond dat bij de huidige ruwheid van de uiterwaarden, de waterstand in de rivier bij de maatgevende rivierafvoer ongeveer 5-10 cm hoger zal zijn dan het toetspeil waarmee in de PKB RvdR rekening is gehouden. Bij het evalueren van het maatregelenpakket dat invulling geeft aan de PKB RvdR is ervoor gekozen om deze 5-10 cm waterstanddaling te bewerkstelligen met het verwijderen van ongeveer 2% van de bestaande vegetatie[6] in de uiterwaarden. Het beheer van de overige 98% wordt gefixeerd op de situatie zoals die is vastgesteld in 2014/2015 in de vegetatielegger. Het alternatief zou zijn geweest om voor honderden miljoenen euro’s extra maatregelen toe te voegen aan Ruimte voor de Rivier. Opgemerkt wordt daarnaast dat als er nu geen normen worden gesteld aan de vegetatie ruwheid van de stroombaan en de rest van de uiterwaarden, de voortdurende verruwing van de vegetatie er voor zou zorgen dat er telkens weer aanvullende rivierverruimende maatregelen noodzakelijk zouden blijken om de gewenste toetspeilen duurzaam te kunnen blijven halen.

 

[1] Er is sindsdien, in 2014, een waterstaatslegger met bijbehorend een vegetatielegger voor de grote rivieren vastgesteld (na inspraak). Dat is de gewenste toestand van de vegetatie. Op deze legger staat middels een arcering het werkgebied van Stroomlijn geduid (de stroombaan).

[2] Deze tekst is ondertussen niet meer actueel. De bedoelde verplichting was oorspronkelijk het idee, maar vanwege deregulering en vermindering regeldruk is deze wetswijziging vervallen. De beheerder, Rijkswaterstaat, is nu degene die het beheer conform de legger dient uit te voeren. Eigenaren moeten onderhoud door Rijkswaterstaat dulden. Eventueel kan hiervoor een gedoogbeschikking worden opgelegd.

[3] Als bijlage bij de beleidsbrief is de versie gevoegd van 6 juni 2012 van het Normatief kader voor het Vegetatiebeheer Grote Rivieren – waar naar wordt verwezen.

[4] NURG staat voor Nadere Uitwerking Rivieren Gebied, onderdeel van de EHS

[5] WAQUA is een rivierkundig model. Daarmee kunnen onder andere waterstanden worden berekend in open wateren.

[6] Het totaal oppervlak van de uiterwaarden omvat ruim 70.000 hectare, de ruige begroeiing van in totaal ongeveer 1400 hectare (=2%) wordt in het kader van Stroomlijn verwijderd.